Of het nu gaat om smart homes, Industrie 4.0 of cloud computing: de behoefte aan betrouwbare en snelle gegevensoverdracht neemt snel toe en brengt het bestaande netwerk van koper- en coaxkabels steeds meer tot zijn fysieke grenzen. Glasvezelkabels kunnen daarentegen vandaag de dag al datasnelheden in de terabytes aan – veel meer dan huidige thuisnetwerken of internetverbindingen momenteel nodig hebben.
Deze ontwikkeling wijst erop dat glasvezel in veel landen de komende jaren steeds meer de oude kopernetwerken zal vervangen. Maar waarin verschillen glasvezelverbindingen van conventionele koperkabels? En hoe werkt glasvezeltechnologie eigenlijk?
De basisprincipes van glasvezeltechnologie
Allereerst is het belangrijk om de gangbare termen te onderscheiden: glasvezel en optische vezels worden vaak als synoniemen gebruikt. Technisch gezien is er echter een klein verschil: glasvezel is de overkoepelende term voor alle kabels die gegevens via licht overbrengen. Glasvezel verwijst specifiek naar de vezels van bijzonder zuiver glas die worden gebruikt in de telecommunicatie en voor internetverbindingen in huis. Voor de praktijk en de huisaansluiting betekent dit dat wanneer er sprake is van glasvezel, er altijd een LWL-kabel van glas wordt bedoeld.
Principe van lichttransmissie: totale reflectie
De kern van de glasvezeltechnologie is totale reflectie: wanneer licht uit een optisch dichter medium (de kern) op een optisch dunner medium (de mantel) valt, wordt het onder een bepaalde hoek volledig gereflecteerd. Hierdoor ‘springt’ het licht heen en weer in de kern zonder de mantel te doorboren en kan het zo over vele kilometers vrijwel zonder verlies worden getransporteerd. Dit effect werkt alleen zolang de lichtinvalhoek kleiner is dan de zogenaamde kritische hoek.
Overdrachtssnelheden en prestaties
Glasvezel overtuigt vooral door de hoge overdrachtssnelheden. Puur theoretisch zijn snelheden tot 100 Gbit/s en meer mogelijk, veel meer dan wat koperen kabels of coaxiale leidingen momenteel kunnen presteren. In de praktijk zijn de werkelijke snelheden echter afhankelijk van verschillende factoren.
De demping van het signaal over de glasvezelafstand, de kwaliteit van de kabels en de connectoren hebben een grote invloed op de prestaties. Elke onzuivere connector of te scherpe bocht in de glasvezel kan de signaalsterkte verminderen en zo de maximale datasnelheid beperken. Glasvezelnetwerken zijn bovendien doorgaans achterwaarts compatibel: een aansluiting die 10 Gbit/s ondersteunt, kan vaak ook worden gebruikt met apparaten die slechts 1 Gbit/s nodig hebben. Voor het thuisnetwerk betekent dit dat als de router, de switches en de eindapparaten hogere snelheden ondersteunen, de eigen aansluiting probleemloos kan worden geüpgraded – zonder dat er nieuwe glasvezelkabels hoeven te worden aangelegd.
Opbouw van een glasvezelkabel
Een glasvezelkabel bestaat uit meerdere lagen, die elk een speciale functie hebben:- Kern (Core):
De vezelkern is het centrale onderdeel van de glasvezelkabel. In deze kern worden de lichtsignalen over de gehele lengte van de kabel doorgegeven. Bij een glasvezelkabel bestaat dit deel uit bijzonder zuiver glas (kernglas). Als alternatief kan het ook bestaan uit kunststof met een hogere brekingsindex dan de omhullende mantel. - Mantel (Cladding):
Het mantelglas omhult de kern en bestaat uit een optisch transparant, diëlektrisch materiaal met een lagere brekingsindex. Deze laag zorgt ervoor dat het licht in de kern blijft en niet ‘weglekt’. - Coating und Buffering:
Om de gevoelige glasvezelkabels tegen mechanische invloeden te beschermen, worden ze omhuld met een dunne kunststofcoating. Daaroverheen kan een extra beschermlaag (buffering) worden aangebracht. Deze beschermt tegen vocht, temperatuur- en buigbelastingen en zorgt ervoor dat de glasvezelkabels ook bij installatie en beweging in de kabelmantel onbeschadigd blijven.

Belangrijk om op te merken: glasvezelkabels van kunststof (POF – Polymer Optical Fiber) hebben in vergelijking met glasvezelkabels een aanzienlijk grotere diameter: ongeveer 0,1 mm. Ze zijn flexibel en gemakkelijk te hanteren, maar ook gevoeliger en hebben hogere dempingswaarden. Daarom zijn ze vooral geschikt voor korte afstanden of binnentoepassingen, bijvoorbeeld in voertuigen of in de industriële automatisering.
Singlemode versus multimode
Bij glasvezelkabels beschrijft de term ‘mode’ hoeveel verschillende lichtpaden het signaal binnen de vezel kan nemen. Er wordt hoofdzakelijk onderscheid gemaakt tussen twee soorten:
- Singlemode-vezels: hebben een zeer kleine kerndiameter van ongeveer 9 µm en transporteren het licht slechts in één enkele modus. Daardoor treden er nauwelijks looptijdverschillen op tussen de lichtgolven – ideaal voor lange afstanden (tot meerdere kilometers) en hoge datasnelheden. Typische golflengten zijn 1310 en 1550 nm.
- Multimode-vezels: met een grotere kerndiameter van 50 of 62,5 µm kunnen meerdere lichtmodi tegelijkertijd worden overgedragen. Dit vereenvoudigt de koppeling met goedkope lichtbronnen (leds, VCSEL’s), maar leidt tot lichte signaalvertragingen tussen de lichtwegen. Multimode-vezels zijn daarom geschikt voor korte afstanden, bijvoorbeeld binnen gebouwen, datacenters of thuisnetwerken. Typische golflengten zijn 850 en 1300 nm.

De belangrijkste kabeltypes voor thuisgebruik
Voor het gebruik van glasvezel in huis zijn er verschillende kabeltypes die verschillen in opbouw, materiaal en toepassingsgebied. De keuze van de juiste kabel moet worden gemaakt op basis van de plaats van gebruik en de vereisten. Binnenkabels zijn bijvoorbeeld speciaal bedoeld voor gebruik in gebouwen: ze zijn brandveilig, licht en flexibel. Buitenkabels hebben daarentegen een robuuste, UV- en vochtbestendige mantel en worden gebruikt vanaf de straataansluiting tot in het gebouw of tussen huizen.In het thuisnetwerk worden meestal kant-en-klare glasvezelkabels (patchkabels) met stekkers zoals LC/LC of SC/LC gebruikt. Afhankelijk van de opbouw wordt er onderscheid gemaakt tussen simplex- (één vezel), duplex- (twee vezels), breakout- of mini-breakout-kabels – deze laatste zijn bijzonder ruimtebesparend en eenvoudig te hanteren.
Glasvezelkabels kunnen zelf worden samengesteld of kant-en-klaar worden gekocht. Bij zelfassemblage worden veldconnectoren rechtstreeks op de vezel geplaatst. Dit vereist echter ervaring, speciaal gereedschap en nauwkeurig werk. Vooraf geassembleerde plug-and-play-kabels bieden duidelijke voordelen: ze zijn direct klaar voor gebruik en minimaliseren daardoor installatiefouten.
Soorten connectoren en hun toepassingsgebieden
Glasvezelconnectoren verbinden de glasvezelkabels betrouwbaar met netwerkapparatuur , ONT’s of patchpanelen. Ze zijn cruciaal voor een stabiele signaaloverdracht, omdat zelfs de kleinste vervuiling of een verkeerde aansluiting de prestaties sterk kan beïnvloeden.
Dit zijn de meest gangbare stekkers:
- LC-stekkers: deze worden het meest gebruikt in woningen, omdat ze compact en eenvoudig te installeren zijn en ideaal zijn voor patchkabels of ONT’s. LC-stekkers worden vaak per paar als duplexoplossing geïnstalleerd, waarbij de ene vezel het verzenden en de andere het ontvangen voor zijn rekening neemt.
- SC-stekkers: deze zijn iets groter en robuuster dan LC-stekkers. Ze worden zowel in gebouwen als in datacenters gebruikt. SC-connectoren zijn eenvoudig aan te sluiten en bieden een stabiele verbinding, maar zijn vanwege hun grootte minder geschikt voor krappe installatieruimtes.
- ST-connectoren (Straight Tip): hebben een bajonetsluitingsmechanisme. Ze werden vroeger vooral veel gebruikt in industriële en campusnetwerken. Over het algemeen bieden ze een betrouwbare verbinding, maar ze hebben iets meer ruimte nodig en worden in moderne thuisnetwerken steeds vaker vervangen door LC-connectoren.
- E2000-connectoren: hebben een beschermkap en een zeer nauwkeurige polijsting. Ze bieden extreem lage reflecties en dempingen en worden vaak gebruikt in singlemode-backbones of professionele glasvezelnetwerken. In thuisnetwerken komen ze minder vaak voor.
- APC-connectoren (Angled Physical Contact): hebben een licht afgeschuind contactoppervlak. Deze schuine polijsting vermindert reflecties in het lichtsignaal en zorgt voor bijzonder lage verliezen. APC-connectoren worden vooral gebruikt bij singlemode-vezels, bijvoorbeeld bij verbindingen over grotere afstanden of bij hogere datasnelheden.

Typische foutbronnen en tips om deze te vermijden
Bij glasvezel is een zorgvuldige installatie van cruciaal belang. Veelvoorkomende problemen ontstaan door te kleine buigradii, vervuilde connectoren of mechanische belasting van de kabels. Men mag glasvezel dus alleen buigen tot de aangegeven minimale buigradius (meestal ongeveer 30 mm), omdat te sterke krommingen tot signaalverlies leiden.Het is net zo belangrijk om connectoren altijd schoon te houden – zelfs de kleinste stofdeeltjes of vingerafdrukken kunnen de lichttransmissie beïnvloeden. Beschermkappen en geschikte reinigingsmiddelen zijn daarom verplicht. Ook trekkrachten moeten absoluut worden vermeden: glasvezelkabels mogen niet onder spanning staan en moeten los worden gelegd met geschikte trekontlastingen.
Zo slaagt u in de overstap naar glasvezeltechnologie
De overstap naar glasvezel is niet alleen een stap naar sneller internet, maar ook een investering in de digitale toekomst. Wie zich vandaag al vertrouwd maakt met de technologie, kan op lange termijn profiteren van stabiele, hoge bandbreedtes en legt de basis voor een toekomstbestendig thuisnetwerk dat ook toekomstige technologieën en toenemende data-eisen moeiteloos aankan – van 4K-streaming tot smart home en nog veel meer.
Glasvezelverbinding in huis – de typische opbouw
Een moderne glasvezelverbinding begint bij de aansluitkast (APL), waar een technicus de glasvezelkabel van buitenaf naar binnen leidt en vakkundig aansluit. Vanuit de APL gaat het signaal naar de Optical Network Terminal (ONT), het hart van de huisaansluiting. De ONT zet de lichtsignalen van de glasvezel om in elektrische gegevens en vormt de interface met de router, telefoon en tv. Sommige ONT’s hebben geïntegreerde wifi of extra netwerkpoorten om het thuisnetwerk flexibel te maken.

Het leggen van glasvezel in huis vereist een zorgvuldige planning. Installateurs gebruiken meestal lege buizen, kabelgoten of plafond- en vloerkanalen om de glasvezel veilig naar de eindapparaten te leiden. Wanddoorvoeren beschermen de gevoelige glasvezel tegen knikken. Bovendien moet de voorgeschreven buigradius worden aangehouden om signaalverlies te voorkomen. Glasvezelkabels van kunststof of glas zijn kwetsbaar, daarom is een vakkundige behandeling van cruciaal belang, vooral bij installatie in smalle buizen of over langere afstanden.
Na de ONT neemt meestal een koperen kabel (Ethernet/LAN) de verbinding met de router, switch of eindapparaten over. Zo combineert het thuisnetwerk de voordelen van glasvezel, zoals hoge bandbreedtes of storingsvrije overdracht, met de flexibiliteit van conventionele netwerkverbindingen.
Woordenlijst – Belangrijke begrippen rond glasvezelkabels en glasvezelverbindingen
| APL (aansluitpunt lijntechniek) | Het aansluitpunt voor glasvezelkabels in het huis, meestal in de kelder gemonteerd. Vanaf hier begint de interne glasvezelbekabeling. |
| ONT (Optical Network Termination) | Netwerkaansluitapparaat dat het optische signaal uit de glasvezel omzet in een elektrisch netwerksignaal (ethernet). Wordt vaak tussen APL en router geschakeld. |
| LWL (lichtgolfgeleider) | Overkoepelende term voor kabels die gegevens met behulp van lichtsignalen overbrengen. Biedt extreem hoge bandbreedtes bij geringe demping en elektromagnetische ongevoeligheid. |
| Singlemode-vezel | Glasvezel met een zeer kleine kerndiameter (ca. 9 µm), die licht slechts in één modus geleidt. Ideaal voor hoge datasnelheden en lange afstanden (typisch bij FTTH-uitbreiding). |
| Multimode-vezel | Glasvezel met een grotere kern (50 of 62,5 µm) die meerdere lichtmodi overdraagt. Geschikt voor kortere afstanden (bijv. binnen gebouwen). |
| Simplex / Duplex | Simplex: één vezelkern voor gegevensoverdracht in één richting Duplex: twee vezels – één voor verzenden, één voor ontvangen. (standaard in thuisnetwerken) |
| Patchkabel (glasvezelpatchkabel) | Vooraf geconfectioneerde glasvezelkabel met stekkers aan beide uiteinden. Wordt gebruikt om apparaten of aansluitingen met elkaar te verbinden. Verkrijgbaar in verschillende lengtes, kleuren en stekkertypes. |
| SC-stekker (Subscriber Connector) | Veelgebruikte glasvezelconnector, vooral bij FTTH-aansluitingen. Rechthoekig, met push/pull-mechanisme. Robuust en gemakkelijk te hanteren. |
| LC-connector (Lucent Connector) | Compacte glasvezelconnector, vaak gebruikt in moderne netwerkapparatuur (bijv. SFP-modules). Twee keer zo klein als SC – ideaal voor compacte installaties. |
| SFP / SFP+ module | Transceivermodule die in een router, switch of mediaconverter wordt gestoken. Ondersteunt verschillende transmissiestandaarden (1 Gbit/s, 10 Gbit/s) via glasvezel. |
| Demping | Signaalverlies in de glasvezel, gemeten in dB. Wordt beïnvloed door kabellengte, connectoren en buigradii. Hoe lager, hoe beter. |
| Buigradius | De kleinste radius waarin een glasvezelkabel mag worden gebogen zonder het signaal te verslechteren. Te scherpe bochten kunnen leiden tot sterke demping of kabelbreuk. |
| Veldconnector | Glasvezelstekkers die ter plaatse op een glasvezelkabel kunnen worden gemonteerd – handig bij individuele installaties, maar foutgevoelig en omslachtig. |
| Splicing | Professioneel verbinden van twee glasvezels met minimale demping – meestal met een splicingapparaat, bijvoorbeeld bij commerciële uitbreidingen. |
| Lichtgolflengte | Geeft aan met welk licht (meestal 1310 of 1550 nm) een glasvezel werkt. Afhankelijk van het kabeltype (SM/MM) en de gebruikte transceiver. |
| Breakout-kabel | Glasvezelkabel met meerdere, afzonderlijk geplaatste vezels. Geschikt voor directe aansluiting van meerdere apparaten of poorten op één punt. |
Afbeeldingen: Adobe Stock, reichelt elektronik












